Voor de kinderen is Bosnië hun vakantieland. Maar Rozenburg is hun thuis.

door | 19-05-2022 | 2 reacties

Foto van Vanja, Murisa en Faruk
Vanja in gesprek met Faruk en Murisa Barućija

Faruk en Murisa komen uit Bosnië. Door de oorlog in voormalig Joegoslavië moesten de twee vluchten. Zo kwamen ze in Nederland terecht en uiteindelijk in Rozenburg. Hoewel hun kinderen zich in Nederland helemaal thuis voelen, zijn zij zelf altijd tussen twee landen blijven zweven. Met hun volksdansgroep Bihro houden ze de herinnering aan hun oude land levend.

“We woonden in twee steden die 100 kilometer uit elkaar liggen”, vertelt Murisa. “Ik moest door de oorlog in 1992 vluchten naar Zenica, Faruks stad. De commandanten hadden een route aangegeven hoe we konden vluchten. Ik ontmoetten daar Faruk en werden we verliefd. In zijn stad was het toen nog iets rustiger. We zijn allebei moslim. We hadden een jaar verkering en toen zijn we getrouwd.”

In december 1994 besloot het paar hun thuisland te ontvluchten.

“Via Duitsland kwamen we in Nederland terecht”, vertelt Faruk. “We hadden zelf uitgezocht hoe het werkte. Je vertrekt maar je weet niet waarheen. Oostenrijk kon niet, Duitsland kon niet. Nederland kon wel. In januari kwamen we in Nederland aan. Ik had een oom in Rotterdam. Die heb ik gebeld. We kwamen in het asielzoekerscentrum terecht. Eerst één dag in Zevenbergen om ons aan te melden, toen Zeewolde voor drie maanden.” 

“In het begin was het zwaar”, herinnert Murisa zich. “Ik heb de eerste twee dagen alleen maar gelegen en gehuild. In het asielzoekerscentrum werd ons van alles gevraagd.” 

“Ben je in oorlog, vroegen ze”, zegt Faruk. “Heb je iemand vermoord? Ik antwoordde dat ik dat niet wist. Ik had drie jaar inde oorlog gevochten, en ik heb geschoten, 500 meter verderop. Het kan dus best zijn dat ik iemand gedood heb. Maar ik had geen burgers gedood. Dus we mochten blijven. We kregen eerst de F-status. Dat betekent dat je mag blijven, maar nog geen Nederlandse nationaliteit hebt.”

Het paar kreeg Nederlandse les. 

Faruk: “We moesten ook de Nederlandse provincies weten. Ik kende ze niet allemaal. Toen kreeg ik op mijn kop van de leraar. Ik vroeg hem : ‘wat weet jij van Joegoslavië?’ In Driebergen was een mevrouw die wilde helpen. Ik kende tien woorden Nederlands en gebruikte een woordenboek. Die mevrouw zei ‘vaatdoek’ maar ik verstond Faruk. Ik dacht: dat woord ga ik nooit vergeten.”

Na drie maanden verhuisde het paar naar een asielzoekerscentrum in Doorn. 

“Daar wilde ik voor altijd blijven”, zegt Murisa. “Het was een mooie omgeving. In Doorn blijven mensen lang. Ik was inmiddels zwanger. Ik ben bevallen in het ziekenhuis toen we in Doorn woonden. Daar is onze oudste dochter geboren. We hadden maar een klein kamertje daar, drie bij drie meter. Daar paste net haar bedje bij.”

“We kregen een huis aangeboden. In Rozenburg. Ik wist niet waar Rozenburg lag. Ik kende alleen Amsterdam, en ook Rotterdam, omdat mijn oom daar woonde.”

In Doorn bleven mensen meestal langere tijd. 

Faruk: “We hadden een gesprek met het COA toen we hier anderhalf jaar waren. Mijn oom uit Rotterdam wilde me werk geven. Meteen die ochtend kregen we de A-status en kregen we een huis aangeboden. In Rozenburg. Ik wist niet waar Rozenburg lag. Ik kende alleen Amsterdam, en ook Rotterdam, omdat mijn oom daar woonde.”

De dag voor kerst kwam het paar met hun baby in Rozenburg aan.

“Wij kwamen bij meneer Francis Jansen van de gemeente”, herinnert Faruk zich. “Hij regelde een flat met spullen voor ons op de Ruygeplaat. Alles was er. Alleen kussens waren er niet, ontdekten we toen we gingen slapen. De volgende dag ging ik van deur tot deur aanbellen om te vragen of er nog meer Bosniërs waren. Zo vond ik na twee dagen mensen.” 

“Het valt mij op dat sommige mensen die naar Nederland zijn gekomen, na jaren nog steeds heel slecht Nederlands spreken.”

In Rozenburg begon voor het stel het echte inburgeren. 

Murisa: “We gingen naar school. We moesten anderhalf jaar naar school. Ik vond de taal moeilijk.”  

Faruk: “Ik kende een beetje Duits. Nederlands klinkt een beetje als Duits. Ik vond dat ik het paspoort niet verdiende als ik niet goed Nederlands leerde. Na 6 á 7 jaar kregen we een Nederlands paspoort.”

“Onze zoon heeft altijd voetbal gespeeld”, vertelt Murisa. “Faruk ging altijd mee, en was zonodig zelf scheidsrechter. Ook ontmoetten we andere ouders via de peuterspeelzaal en school. Zo kregen we contact met Nederlanders. Alles was erg anders. We wilden de taal leren. En ons aanpassen, ook al was het soms erg wennen. Het valt mij op dat sommige mensen die naar Nederland zijn gekomen, na jaren nog steeds heel slecht Nederlands spreken. Die dachten heel kort te blijven maar zijn er nog steeds.”

“Ik ben niet gevlucht uit economische motieven”, zegt Faruk. “Ik wilde niet hier komen en daarna weer weg. Onze kinderen zijn hier geboren en blijven hier. Onze zoon is in Spijkenisse geboren. Onze kinderen praten Nederlands en Bosnisch. Voor hun is Rozenburg thuis.” 

“Onze dochter zei dat ze nu begreep waarom ik zo verlangde naar Bosnië, omdat zij vier maanden zo had verlangd naar Rozenburg.”

Dat hun kinderen Nederlanders zijn, ontdekte het stel na de stage van hun dochter.

Murisa: “Onze dochter studeert hbo Economie, en moest stage lopen. Ik zei: ‘Waarom ga je niet in Bosnië stage lopen?’ Dat vond ze leuk. Ik zocht en belde vrienden. Ze kon stage lopen bij een bank. Na vier maanden was ze klaar. We gingen shoppen in Hellevoetsluis. Onderweg zei ze: ‘Kijk, dit heb ik ook gemist.’ Ze zei dat ze nu begreep waarom ik zo verlangde naar Bosnië, omdat zij vier maanden zo had verlangd naar Rozenburg. Toen begrepen we elkaar.”

“Voor de kinderen is Bosnië hun vakantieland”, zegt Faruk. “Maar Rozenburg is hun thuis. Ik heb 30 jaar dáár gewoond. De mooiste jaren. Ik zal nooit helemaal Nederlander zijn. Ik doe mijn best om me aan te passen, en de taal te leren, maar ik blijf een buitenlander, zodra ik mijn mond open doe. Mijn chef vroeg ooit of ik blij ben Nederlander te zijn. Ik zei: ‘Als ik ja zeg, lieg ik.’ Maar ik heb hier kansen gekregen. Salaris, een normaal leven. In Bosnië ben ik ook geen Bosniër meer.” 

Murisa: “Wij blijven zweven tussen twee landen.”

Faruk: “Als ik nu een gratis vakantie krijg naar Curaçao, maar dan dit jaar niet naar Bosnië mag, dan betaal ik liever veel geld om naar Bosnië te gaan. Daar heb ik familie. Maar hier is het ook goed.” 

Murisa: “Twintig jaar geleden kochten we hier een huis. We hebben het goed.”

Faruk: “Ik word gewaardeerd op mijn werk. Wat wil je nog meer?”

Murisa: “Ik geef ons leven een bijna 10.”

“We zijn met één tas vertrokken uit Bosnië”, zegt Faruk. “Na anderhalf jaar gingen we met twee tassen naar Rozenburg. En nu hebben we alles. Huis, kinderen, baan.”

“We hebben het goed”, vindt Murisa. “Thuis is in Rozenburg. En we kunnen als we willen naar Bosnië.”

Faruk: “In Bosnië ben ik alleen een paar weken op vakantie. Hier in Rozenburg is thuis.” 

“Ik zou teruggaan naar het oude Joegoslavië. Die oorlog heeft geen winnaars. Alleen verliezers. Nog steeds.”

Om de herinnering aan Bosnië levend te houden, zijn de twee elf jaar geleden dansvereniging Bihro begonnen.

“Op zondagochtend was er voor de kinderen van Bosnische ouders een school om de taal te leren”, vertelt Murisa. “De ouders zaten bij elkaar en dronken koffie. Toen besloten we te gaan dansen.”

“We komen elke zondag bij elkaar in een zaaltje in Hoogvliet”, zegt Faruk. “Er zijn ongeveer 100 leden. Na vier jaar ben ik gevraagd om dansles te geven. Ik heb in ex-Joegoslavië jarenlang volksdansen gedaan en ik ben choreograaf. Ik heb alles gedanst in Joegoslavië, voor de oorlog. Nu dans ik ook alles. Bosnische, Kroatische, Servische, Macedonische en Turkse dansen.” 

Murisa: “Er dansen ook mensen uit Rozenburg mee. We zijn van plan om hier in Rozenburg meer actief te zijn en in toekomst ook hier op te treden, omdat muziek en dans mensen verbindt. We hebben een paar keer opgetreden voor het Ambassadefestival  in Den Haag. Misschien mag dat dit jaar weer. De vrouwen maken dan Bosnisch eten. Dat verkoop je voor een klein bedrag. Je presenteert je eigen land. En dan dansen in een tent, in klederdracht.”

Faruk: “Het voelt goed om iets van je eigen land te leren. En om aan de jongeren iets van hun cultuur over te brengen. De Joegoslavische traditie door te geven. Zo hou je ze van de straat. Beter dan op je stoel hangen. Jongens willen trouwens niet dansen, meisjes wel.”

“Voor de oorlog woonde iedereen samen in Joegoslavië en we vierden elkaars feesten”, herinnert Murisa zich. “Het moslim Suikerfeest, katholiek Pasen. Alles kon. Dat is er nu niet meer. Ik ben geboren in Joegoslavië. Maar dat land bestaat niet meer.” 

Faruk: “Ik zou teruggaan naar het oude Joegoslavië. Die oorlog heeft geen winnaars. Alleen verliezers. Nog steeds.”

Murisa en Faruk willen in Rozenburg oud worden.

“Rozenburg is goed”, vindt Murisa. “Voor de kinderen was er in de puberteit niet zoveel te doen. Maar nu ze klaar zijn met school en hun eigen leven leiden, is Rozenburg perfect voor ons. Groen, genoeg winkels. Het is een goede plek voor onze leeftijd en voor mensen met kleine kinderen.”

“Maar Rozenburg is niet meer wat het is geweest sinds we Rotterdam zijn”, vindt Faruk. “Twee banken zijn weg, het postkantoor is weg, het politiebureau is weg. Het dorp is veranderd. Vroeger was een openbare dronkenschap hier het ergste, nu worden hier moorden gepleegd. Maar ik blijf hier, want verder ben ik tevreden over Rozenburg. Al kan het altijd beter.”

Reageren & Reacties

2 Reacties

  1. gsz8co

    Antwoord
  2. Ik ken deze familie en ze zijn super aardig en lief ik ging altijd met hun dochter om en hun zoon

    Antwoord

Een reactie versturen

De Rozenburgse Mozaïekroman is een openbaar platform voor liefhebbers van Rozenburgs immaterieel erfgoed. Als u reageert, houd het dan netjes. De redactie behoudt zich te allen tijde het recht voor om reacties te verwijderen (of aan te passen) zonder hiervan melding te maken.

Meer verhalen

Foto van Vanja en Hanny

Als er in Rozenburg teveel stank zou zijn, zouden we terug verhuizen.

Hanny is voorzitter van de stichting SKCR, die kunst dichterbij de Rozenburgers wil brengen. Dat is altijd Hanny’s missie geweest.

Foto van Vanja en Cornelia

Er zijn mensen die denken dat ik op de Zanddijk ben geboren.

Cornelia Molendijk is bekend als Rozenburgse schrijfster en journaliste. Haar column Kleintje Natuur bestaat al meer dan dertig jaar.

Foto van Marjon en Vanja

Rozenburg, dat zijn de mensen.

De manier waarop gemeente Rozenburg is opgeheven en is samengegaan met Rotterdam, vond Marjon McElligott schokkend.

Foto van Hugo, Bea en Vanja. Hugo associeert Rozenburg met vrijheid en verre landen.

Ik associeer Rozenburg met vrijheid en verre landen.

Hugo van Dalen heeft veel Rozenburgers pianoles gegeven, kwam hier in de jaren 70 wonen en associeert Rozenburg met vrijheid en verre landen.

Foto van Gino, Sonja en Vanja

Gino was de eerste Italiaan op Rozenburg. Het was voor ons beiden een cultuurshock.

Sonja is geboren op Rozenburg… Gino was de eerste Italiaan op Rozenburg… “Het was voor ons beiden een cultuurshock.”