Er zijn mensen die denken dat ik op de Zanddijk ben geboren.

door | 19-04-2022 | 1 reactie

Foto van Vanja en Cornelia
Vanja in gesprek met Cornelia

Cornelia Molendijk-van den Enden is bekend als Rozenburgse schrijfster en journaliste. Haar column Kleintje Natuur in de Rozenburgse Courant bestaat al meer dan dertig jaar. Ze schreef drie boeken over Rozenburg en het vierde is op komst.

“Ik ben geen geboren Rozenburgse”, vertelt Cornelia. “Ik kom uit Rotterdam, Delfshaven. Ik werd verliefd op een Rozenburger, Gert Oosterlee, en kwam daarom naar Rozenburg. De eerste keer dat ik met Gert meeging, stonden we op de pont, uitkijkend over het water. Ik dacht: wat vertrouwd en gezellig is het hier. Die avond gingen we naar een concert van UDI. Het was mijn eerste avond in het dorp. Fijn om daar met hem te zijn. Dat was 1985. Ik was begin 30. Gerts huis voelde ook vertrouwd. Ik wist toen al dat dat mijn plek zou worden.

“Rozenburgers zijn een beetje op zichzelf. Maar daar moet je gewoon je hartje voor open zetten.”

Ik voelde me prettig in Rozenburg. Rozenburgers zijn een beetje op zichzelf. Maar daar moet je gewoon je hartje voor open zetten. Je moet ze accepteren zoals ze zijn en dan gaat het goed. Er zijn mensen die denken dat ik op de Zanddijk ben geboren. Grappig. Ook mijn schoonmoeder, mevrouw Oosterlee was heel erg op zichzelf. Maar dat is goed gekomen. Zij zou het leuk hebben gevonden te zien hoe haar kleinzoon Rob actief is in de politiek.

Cornelia schrijft al 33 jaar voor de Rozenburgse Courant.

“Ik was jeugdleidster in de protestantse kerk. Dat heette toen de Ontmoetingskerk. Ik vond het vervelend dat er nooit eens iets leuks voor de kinderen in het kerkblad stond. Toen mocht ik elke maand een bladzijde vullen. Ik tekende er zelf de illustraties bij. Toen twee kerken werden samengevoegd werden de kerkbladen samengevoegd. Na een tijdje verschenen er geen kerkbladen meer. Mensen zeiden dat ze mijn verhalen zo misten. Toen heb ik Kees Lievaart, die voor de krant schreef, gevraagd of ik voortaan in de krant mocht. Ik maakte mijn debuut met een groot verhaal: ‘De lotgevallen van een olieboer’. Daar had ik drie dagen over gedaan. Daarna schreef ik Kleintje Natuur.

Het is een hobby die vanzelf is gegroeid. Bij de Rozenburgse Courant was het eerst alleen Kleintje Natuur, maar toen ging ik een collega vervangen. Eerst 1 dag, toen 2 dagen, toen 3 dagen. En toen kon ik met de baas in overleg over mijn salaris. Ik heb ook vijftien jaar raadsvergaderingen verslagen. Ik had zelf al in de politiek gezeten. Ik kon schrijven en kende de politici en ik wist van de hoed en de rand.”

De passie voor schrijven zit volgens Cornelia in de familie.

“Opa was een echte lezer. Hij werd in zijn buurt de professor van de Heijplaat genoemd, omdat hij zoveel las. Mijn vader las ook. Het huis stond vol boeken. Ik schreef altijd al verhaaltjes. Die stopte ik onder mijn kussen, want we moesten slapen en niet schrijven. Mijn moeder vond ze en stopte ze in de vuilnisbak. Ze had zeven kinderen en had maar een zorg, dat het netjes was in huis. Die fout heb  ik later niet gemaakt. De verhaaltjes van mijn zonen Jos en Rob heb ik bewaard.

Ik leerde de letters en daarna de woorden en zo ging het schrijven vanzelf. Toen ik al jarenlang voor de Rozenburgse Courant schreef en wel eens een verhaaltje voorlas aan mijn moeder, begreep ze dat ik het niet kon laten. Ik ben gewoon een schrijver.”

Ook het verkopen zit Cornelia in het bloed.

“Ik ben bejaardenverzorgster en gezinsverzorgster geweest. Ik heb ook in een stoffenzaak gewerkt. En in een gordijnenzaak. Ik werd steeds na een paar weken eerste verkoopster of cheffin. Ik was goed met de verkoop.

Ik verkoop wel eens jam en boterkoek in de kerk. Maar nooit zoveel als die keer, begin jaren ’90. Mijn boer wilde naar Ethiopië om te helpen een school te bouwen. Ik wilde voor hem geld verdienen voor de reis. Ik ging jam en siroop verkopen. Wekenlang bereidde ik dat voor. In de krant schreef ik steeds over Ethiopië. Mensen kwamen bij mij kijken hoe ik jam maakte. 

“Als ik buiten liep, was ik op zoek naar de natuur, ook in de stad. Als kind al.”

Op de verkoopdag zetten we een marktkraam in de Emmastraat. Al mijn vriendinnen hielpen mee. Iedereen hetzelfde schort. De kraam mooi versierd met takken en vruchten. Mooie etiketjes en dekseltjes op de potten en flesjes. Er stond ook een honingverkoopster en we hadden kaarsen van bijenwas. De burgemeester, toen Den Duijn, kwam langs. Hij zei dat ik wel een winkeltje kon beginnen. Ook mijn vader en moeder en al mijn broers en zussen kwamen die dag kijken. Na afloop was ik kapot, maar het was een succes. De opbrengst was voor de reis van mijn broer naar Ethiopië. Dat hadden we in een dag bij elkaar verdiend. Hij bouwde daar mee aan die school. Een technische school, met werkbanken en gereedschappen, gekregen uit Nederland. Later is hij er nog eens gaan kijken. Toen was er een meisjesschool bij gebouwd.” 

Cornelia groeide op als stadsmeisje, maar woonde niet graag in de stad.

“Als ik buiten liep, was ik op zoek naar de natuur, ook in de stad. Als kind al. Wij gingen naar de kerk in Schiedam, lopend vanaf Delfshaven, elke zondag. Op de terugweg liepen we langs de havens. Daar waren sinaasappelopslagplaatsen. Tussen de trainrails was zure grond en daar groeide de prachtigste bloemen. Die plukte ik elke week. Kamille, leeuwenbekjes, klaprozen. Toen ik een jaar of zes was, ben ik met mijn boeket nog gefotografeerd door twee Chinezen, die daar met een schip lagen. Dus lig ik nu ergens in een laadje in China. 

De liefde voor de natuur had ik van mijn opa van Heijplaat. Hij werkte als dokwerker. Ik ging met hem wandelen in Heijplaat, dat was best landelijk. Dan wees hij op een struik of bloem: ‘Cor, wat is dat?’ Hij leerde me waar je op moest letten: de stam, de bladeren. Het is mij letterlijk met de paplepel ingegoten. Ik had het zelf ook in me. In de eerste klas van de lagere school, tijdens een verhaal van de juf, zag ik een vlinder op het raam. Ik luisterde wel, maar keek naar die vlinder. De juf zei me het verhaal na te vertellen. Dat kon ik, maar ik had wel die vlinder gezien.

De natuur was niet alleen een hobby. Het hing samen met ons geloof. De hemel en aarde en alle beestjes die erop lopen, zijn allemaal geschapen door God. Ik heb Darwin gelezen, The Origin of Species. Volgens hem zijn alle dieren en mensen ontstaan uit eencellige wezens. Grappig. Ik geloof dat God het gemaakt heeft. Darwin heeft aan het einde van zijn leven, volgens mij, ook ontdekt dat hij fout zat.

De volledige gedaantewisseling van eitje naar rups naar pop naar vlinder, precies als de vlinder die het eitje heeft gelegd. Dat gaat niet vanzelf. Al die soorten vogeltjes en hun verschillende nestjes, waar leren ze dat? Hoe wonderlijk is de natuur. Zo eindig ik altijd mijn columns. Als je de schoonheid van de natuur ziet, dan kan je toch niet om God heen? Mijn passie van de natuur komt vanuit mijn overtuiging.”

“Ik ben ervan overtuigd dat wij anno 2022 wel heel erg ver van de natuur af leven.”

Zo besloot Cornelia over de schoonheid van de natuur te schrijven.

“Over natuur schrijven is een keuze. Bovendien weet ik daar honderdduizend keer meer vanaf dan van de mens. Ik ben ervan overtuigd dat wij anno 2022 wel heel erg ver van de natuur af leven. In het tuincentrum verkopen ze tuintegels. Met die tegels is er geen tuin te zien. Dat vind ik erg. Ongezond als je zo ver van de natuur af leeft. Je bent als mens onderdeel van de natuur. 

Je kan ongebreideld over dieren en planten schrijven maar niet over mensen. Er komen wel eens mensen in mijn verhalen voor, maar zodanig dat ze er geen aanstoot aan kunnen nemen. 

In Delfshaven deed ik vrijdags altijd boodschappen voor dames uit de buurt. We hadden ooms en tantes naast ons wonen. Ik kreeg een briefje van een van de dames. Ze was heel oud en had pikzwart haar. Ze gaf me een briefje waarop twee pakjes Schwarzkopf zwart stond. Mijn moeder zag het. Ze was bij onze kerk en haren verven mocht niet. Dat was de grap van het jaar.

Thuis waren ze wel streng. Maar aan de andere kant waren er dingen die bij andere gezinnen nooit gebeurden. We hebben allemaal op de muziekschool gezeten en een muziekinstrument geleerd. Ik wilde een harp maar daar was geen geld voor. Toen werd het de mandoline.”

Cornelia’s laatste boek ging over haar jeugd en over de kerk.

“Naar dat boek ben ik langzaam toe gegroeid. Ik was zelf uit die zware kerk gestapt. Ik hou zielsveel van mijn familie. En in die kerk waren ook mensen van wie ik hield. Ik wilde een boek waarin ik de twee partijen bij elkaar bracht. Mijn familie en de kerk. Ik heb niet met mijn familie gebroken. Ik ben gewoon bij hen blijven komen. Ik wilde niet breken met die mensen.

Vissen op Zondag heet het boek. Mijn opa en oma van moederskant moesten heel vroeg trouwen. Ze was zwanger. Opa moest schuldbelijdenis doen in de kerk. Dat deed hij niet. Hij zei: ‘Ik heb nergens spijt van.’ Hij ging eens vissen op zondag. Heel de familie sprak er schande van. Oma maakte het visje dat hij thuisbracht niet voor hem klaar. Ze wilde geen vis die op zondag was gevangen.”

Cornelia presenteerde haar boek tijdens een familiereünie.

“Een jaar of vier geleden was er een familiereünie. Dat zijn heel veel mensen bij elkaar. Ik had heel de dag de Pelgrimsvaderkerk in Delfshaven afgehuurd: de familie en de kerk samen. Toen heb ik mijn boek gepresenteerd. Na afloop kreeg ik zoveel briefjes en kaartjes van mensen die het zo mooi vonden.

Ik was het met dingen van onze kerk niet eens. Dat je als vrouw geen broeken mocht dragen, geen kort haar, geen make up. We lazen alleen de Statenvertaling van de Bijbel. Ik ben veel te modern voor dat soort dingen. Het verschil met wat ik nu geloof, is dat ik er zelf achter kan staan. Bij ons zeggen ze niet: je hebt een rode trui dat mag niet of jij bent homofiel dat mag niet. Er is meer vrijheid. Die clubjes van die kerk die waren heel erg benauwend bezig. Dat wilde ik niet. Ik geloof dat God mensen liefheeft. Dan doet de kleur trui er niet toe.”

Cornelia’s eerste boek was een bundel van haar columns. 

“Ik vierde mijn twaalf en een half jarig jubileum bij de Rozenburgse Courant. Mijn baas regelde dat er een boekje kwam, samengesteld met Kleintjes Natuur en foto’s. Wat was ik trots! 

In 2006 kwam mijn tweede boek: Het kleinste Huisje van Rozenburg. Dat heb ik op eigen initiatief in elkaar gedraaid. De bewoonster van dat huisje aan de Zanddijk wilde in het begin niet. Na een paar bezoeken bleken wij zo goed met elkaar op te kunnen schieten, dat ik haar mooie verhalen over vroeger toch mocht opschrijven. Dat boekje werd het tienjarig jubileumcadeau van de Klankbordgroep Rozenburg. Er zijn er 14.000 van gedrukt. Er was een heel feest toen het uitkwam. Ik mocht een buffet samenstellen en mensen uitnodigen. De bewoonster was er ook. Zij kreeg het eerste boekje. Ze vond het geweldig.

Mijn vierde boek is bijna klaar. Dat is nog een verrassing. We zijn nu bezig met het regelen van subsidie. En daarna komt er nog een boekje over het oude deel van Rozenburg, rond de Zandweg en Vinkseweg. Met een reconstructie van hoe het vroeger was. Daarvoor werk ik samen met een werkgroep van de historische vereniging, met oude Rozenburgers die verhalen vertellen.”

De natuur in en bij Rozenburg is speciaal, vindt Cornelia.

“Ik kom wel eens bij mijn nicht in Drenthe. Als ik daar een jaar rond moest schrijven dan kreeg ik het jaar niet vol. We hebben hier zoveel verschillende soorten natuur. Dat is hier in de jaren zestig zo goed aangelegd. De parken, de soorten bomen bij elkaar. Er zijn maar weinig plaatsen die zo groen zijn als Rozenburg. De diversiteit, de groene rand ten opzichte van de fabrieken, dat was de bescherming van de burgers. Op de Landtong is het vanzelf gegaan. Daar hebben ze het Calandkanaal gegraven, en het zand dat vrij kwam op de Landtong gegooid. Dat was 10 kilometer rotzooi en dat is vanzelf een natuurgebied geworden. In de loop van de tijd ontwikkelt en zaait dat vanzelf. Verbazingwekkend mooie natuur, maar je moet het willen zien. 

Dat ik dat zie, komt omdat ik een opmerkzame blik heb. Dat kun je andere mensen moeilijk leren. Het gebeurt wel eens dat ik een beestje zie dat ik niet ken. Dan moet ik opzoeken wat voor beestje is. Dan ben ik de ramen aan het zemen en bedenk ik ineens: oh ja, ik moet over dat beestje schrijven. Ik ben niet iemand die om 10 uur gaat zitten en begint te schrijven. Zolang mijn hersens willen werken blijf ik schrijven.”

Reageren & Reacties

1 Reactie

  1. mm2t1g

    Antwoord

Een reactie versturen

De Rozenburgse Mozaïekroman is een openbaar platform voor liefhebbers van Rozenburgs immaterieel erfgoed. Als u reageert, houd het dan netjes. De redactie behoudt zich te allen tijde het recht voor om reacties te verwijderen (of aan te passen) zonder hiervan melding te maken.

Meer verhalen

Foto van Vanja, Murisa en Faruk

Voor de kinderen is Bosnië hun vakantieland. Maar Rozenburg is hun thuis.

Faruk en Murisa komen uit Bosnië. Door de oorlog in voormalig Joegoslavië moesten zij vluchten. Voor de kinderen is Bosnië hun vakantieland.

Foto van Vanja en Hanny

Als er in Rozenburg teveel stank zou zijn, zouden we terug verhuizen.

Hanny is voorzitter van de stichting SKCR, die kunst dichterbij de Rozenburgers wil brengen. Dat is altijd Hanny’s missie geweest.

Foto van Marjon en Vanja

Rozenburg, dat zijn de mensen.

De manier waarop gemeente Rozenburg is opgeheven en is samengegaan met Rotterdam, vond Marjon McElligott schokkend.

Foto van Hugo, Bea en Vanja. Hugo associeert Rozenburg met vrijheid en verre landen.

Ik associeer Rozenburg met vrijheid en verre landen.

Hugo van Dalen heeft veel Rozenburgers pianoles gegeven, kwam hier in de jaren 70 wonen en associeert Rozenburg met vrijheid en verre landen.

Foto van Gino, Sonja en Vanja

Gino was de eerste Italiaan op Rozenburg. Het was voor ons beiden een cultuurshock.

Sonja is geboren op Rozenburg… Gino was de eerste Italiaan op Rozenburg… “Het was voor ons beiden een cultuurshock.”